Zo gebruik je deze rekentool
- Vul het Nominaal rendement in: het rendement per jaar zoals je bank, fonds of broker het noemt.
- Zet de verwachte Inflatie per jaar erbij.
- Vul bij Belasting op rendement een percentage in als er belasting van het rendement afgaat, of laat 0 staan.
- Kies het Ingelegd bedrag en het aantal Jaren, en lees het Reëel rendement per jaar en de Waarde in geld van nu af.
Nominaal tegenover reëel rendement
Het nominale rendement is de groei van je geld in euro's. Het reële rendement is de groei van je koopkracht: wat je met dat geld kunt kopen. Stijgen de prijzen, dan is een deel van je rendement alleen compensatie voor duurder geworden boodschappen.
Reëel rendement = (1 + n × (1 − b)) ÷ (1 + i) − 1- n = nominaal rendement per jaar (decimaal, 6% = 0,06)
- b = belasting op rendement als deel van het rendement (0 als je dat apart regelt)
- i = inflatie per jaar
- Waarde in geld van nu = inleg × (1 + reëel rendement)^jaren
De snelle schatting is nominaal min inflatie. De exacte formule hieronder, de Fisher-vergelijking, geeft een iets lager getal, omdat inflatie ook over je rendement heen werkt.
Voorbeeld: € 10.000 tien jaar laten groeien
Je legt € 10.000 in tegen 6% per jaar, de inflatie is 2,5% en er gaat geen belasting van het rendement af. Na tien jaar staat er nominaal € 17.908,48. Omgerekend naar geld van nu is dat € 13.990,07. Het Reëel rendement per jaar is 3,41%, iets minder dan de snelle schatting van 3,5%.
Ga je uit van 25% belasting over het rendement, dan zakt het rendement na belasting naar 4,5% en het reële rendement naar 1,95%. Je eindigt dan met € 15.529,69 nominaal, of € 12.131,77 in geld van nu. Belasting en inflatie samen halveren in dit voorbeeld bijna de koopkrachtgroei.
Belasting in Nederland: box 3
In Nederland valt spaargeld en beleggen voor de meeste particulieren in box 3. Daar wordt niet simpelweg een percentage van je werkelijke rendement afgehaald; de heffing is gekoppeld aan je vermogen en een rendement dat de Belastingdienst voor jouw bezittingen vaststelt. De regels zijn de afgelopen jaren meermaals aangepast.
Daarom staat Belasting op rendement standaard op 0. Wil je toch een indruk krijgen, vul dan een percentage in dat ongeveer aangeeft welk deel van je rendement naar de fiscus gaat. Voor de actuele regels en tarieven kijk je op de site van de Belastingdienst.
Zo gebruik je de uitkomst
Een negatief reëel rendement betekent dat je geld in koopkracht krimpt, ook al groeit het saldo. Dat gebeurt bijvoorbeeld als de spaarrente lager is dan de inflatie. Wat inflatie met een vast bedrag doet, zie je met de inflatiecalculator.
Reken plannen voor de lange termijn, zoals pensioen of vermogensopbouw, altijd in reële bedragen. Gebruik in de rente-op-rentecalculator dan het reële rendement in plaats van het nominale.
Kosten tellen net zo hard als inflatie. Een fonds met 0,5% lopende kosten (LKF) haalt dat van je rendement af; de beleggingskostencalculator laat zien wat dat over de jaren scheelt.
Aannames en beperkingen
De calculator gaat uit van een vast rendement en een vaste inflatie, elk jaar opnieuw. In werkelijkheid schommelen beide, soms flink. Kosten van fondsen of de bank zitten er niet in; trek die zelf van het nominale rendement af.
Je persoonlijke inflatie kan afwijken van het landelijke cijfer van het CBS, afhankelijk van wat jij koopt. De uitkomst is een rekenvoorbeeld, geen voorspelling. Twijfel je over een beleggingskeuze, overleg dan met een onafhankelijk adviseur.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen nominaal en reëel rendement?
Nominaal is de groei in euro's, reëel is de groei in koopkracht. Reëel rendement is ongeveer nominaal rendement min inflatie.
Waarom is de exacte uitkomst lager dan nominaal min inflatie?
Inflatie tast ook het rendement zelf aan. De Fisher-formule deelt daarom door (1 + inflatie) in plaats van simpelweg af te trekken.
Kan het reële rendement negatief zijn?
Ja. Als je rente of rendement na belasting lager is dan de inflatie, kun je er met je geld minder mee kopen dan bij de start.
Welke inflatie moet ik invullen?
Een verwachting voor de lange termijn. Het CBS publiceert de gemeten inflatie per maand; voor de toekomst kun je een paar waarden testen, bijvoorbeeld 2% en 3%.